Uit gegevens van het Centraal Bureau voor de statistiek blijkt dat in 2002 van de bevolking 6,6% op enig moment een alternatieve geneeswijze heeft toegepast, tegenover 74,5% een huisarts. Dat eerste getal is in de loop van de jaren groter geworden. In 1980 was het nog kleiner dan 4%. Het gaat zowel om hoog- als lageropgeleiden; hun kwalen zijn van allerlei aard en ernst, soms licht, soms ernstig, waartegen de reguliere geneeskunde vaak niets meer kan doen. De hedendaagse reguliere geneeskunde gaat uit van rationeel handelen en is gebaseerd op geneeswijzen waarvan de werkzaamheid is aangetoond. Bij de reguliere geneeswijzen valt de tevredenheid van de patiënten echter soms anders uit dan artsen verwachten en kiezen patiënten bewust voor een andere behandeling dan medisch gezien voor de hand zou liggen.
In de reguliere geneeskunde is echter ook niet alles wetenschappelijk onderbouwd. Nog steeds wordt b.v. alom de huid ontsmet voordat men een injectie geeft, hoewel aangetoond is dat het nutteloos is. De grens tussen wat wel en niet wetenschappelijk bewezen is, is in het dagelijkse medisch handelen diffuus. Een te beperkte visie op wetenschap komt de patiënt niet ten goede. Vaak is er ook geen alternatief aangeboden en zet men de patiënt met zgn. wetenschappelijke argumenten in de kou. De geneeswijze dient een menselijk gezicht te hebben en de menselijke maat in het oog te houden.